magazine special: medisch

glucoosjes en insulientjes

nieuwe medische avonturen van Guus

door Anjo Bravenboer

Opeens weet je het: je wordt diabeet!
Te ziek, te allergisch, te dik en ook nog een zeikerd...
Guus was iets te dik. Vanaf eind 2014 tot eind 2015 was hij erg en een paar keer levensbedreigend ziek geweest. In de zomer van 2015 is daarom zijn galblaas verwijderd, waarna een lang herstel volgde. Het werd toen duidelijk dat zijn alvleesklier (één van de bovenbuik-organen) misschien chronisch ontstoken zou blijven. Dat betekent o.a. minder eetlust, dus wij waren al blij toen hij eind 2015 braaf zelf at van het herstelvoer dat eigenlijk alleen bedoeld was voor -je raadt het al- zijn herstel. Maar Guus wilde niets anders en moest toch iets eten.

Toen hij in mei 2016 ineens een allergische reactie had en ook te zwaar was geworden van het calorierijke voer, stapten we over op de hypoallergene brokjes van de dierenarts. Een hele opluchting dat hij het lustte!Om hem minder te laten eten, gaf ik water bij het droogvoer. 'Brokjessoep' noemden we het. Ze vonden het lekker (zijn broer deed mee), Guus at met grote eetlust! Vooral het water werd met grote graagte opgelebberd (diabetes symptoom 1: veel drinken), maar de brokjes gingen ook goed naar binnen. Zijn eetlust leek veel groter dan voorheen (diabetes symptoom 2). Guus werd dunner, zoals de bedoeling was, alleen was het wel raar dat zijn buikkwabje niet afnam (diabetes symptoom 3). Er werd ook erg veel geplast (diabetes symptoom 4), maar dat leek logisch als ze veel water binnenkregen. En Guus zijn vacht leek wat plukkeriger te worden, maar de jongens zijn ook wel van middelbare leeftijd natuurlijk, dan zit je misschien niet zo strak meer in het pak. Dus iedereen was tevreden.

Dat kon natuurlijk niet te lang duren! Tijd voor een memorabele week in oktober. En dan niet memorabel in de zin dat je er graag aan terugdenkt...

Maandag en dinsdag, 10 en 11 oktober: misschien toch niet alleen rozengeur en maneschijn?
Ongemerkt was het plassen steeds meer en meer geworden, zo erg dat elke dag een strook van 10 cm breed aan de voorkant van de kattenbakken élén grote klont geworden was. En Guus' kontje werd wel erg mager. Maar zijn buikkwabje bleef en hij had goede trek, dus het leek niet erg. Tot hij ineens minder wilde eten (diabetes symptoom 5, dit is de volgende fase), in oktober 2016. Op maandag kwam een vriend bij ons eten en had Guus daardoor een smoes om minder aandacht te hebben voor eten. Maar op dinsdag had hij ook geen trek, en dat plassen was toch wel heel erg geworden. Hij werd ook zwakker en had van die 'koeienknobbels' achterop op zijn rug. Dus diezelfde dag naar de dierenarts, inmiddels overtuigd dat het niet goed ging en hij misschien suikerziekte had.

Diabetes en eetlust

In eerste instantie veroorzaakt diabetes een grotere eetlust, omdat de cellen niet genoeg brandstof krijgen en signalen afgeven dat er meer voedsel moet komen (wat nutteloos is omdat de suiker die daaruit in het bloed komt, niet verwerkt kan worden).
Uiteindelijk veroorzaakt diabetes juist een gebrek aan eetlust. Dit is het stadium dat het levensgevaarlijk wordt.
    Het heeft twee oorzaken:
  • Om de suiker uit het bloed te filteren, wordt er meer urine geproduceerd. Daardoor gaan belangrijke stoffen verloren, waaronder kalium. Er ontstaat dus een kaliumtekort, wat o.a. spierzwakte, vermoeidheid en gebrek aan eetlust veroorzaakt. Bij de behandeling van de diabetes moet het kalium ook worden aangevuld als er een tekort is, omdat de kat anders niet gaat eten en niet kan herstellen.
  • Om toch aan wat energie te komen, wordt het lichaamsvet gebruikt. Hierbij ontstaan reststoffen, genaamd ketonen, die zich ophopen wanneer er in korte tijd teveel vet wordt omgezet. Aceton is een voorbeeld van een keton en is soms te ruiken in de adem bij onbehandelde diabetes (maar niet altijd! Bij Guus was niets te ruiken). Het overschot aan ketonen (ketoacidosis) veroorzaakt o.a. misselijkheid en sufheid. Uiteindelijk leidt het tot coma en daarna de dood als er niet wordt ingegrepen.
Dinsdag en woensdag, 11 en 12 oktober: Burmezen zijn te knap om er ziek uit te zien...
De dierenarts wilde het nog even aanzien, want ze vond hem niet mager en hij zag er naar haar idee goed uit (een voorbeeld van hoe dierenartsen Burmezen verkeerd kunnen inschatten). Daarom was haar plan om tot vrijdag te wachten en dan een bloedtest te doen als hij niet opknapte. De uitslag zou dan in het begin van de week daarop komen.

Thuisgekomen zat het ons toch niet lekker. Wij vonden wèl dat het slecht ging! Dus de volgende dag hebben we gevraagd om de bloedtest meteen te doen. De dierenarts wilde zijn bloed dan wel goed laten onderzoeken, om in één keer van alles uit te sluiten. Dat ging een paar dagen duren; het moest opgestuurd. Dus werd zijn suiker niet ter plekke getest, omdat dat toch ook in die grote test zat en hij er in haar inschatting nog steeds niet slecht aan toe was (Burmezen hebben immers altijd nog dat glanzende vachtje... en zij wist niet hoe gespierd ze normaal gesproken zijn). Hij was wel uitgedroogd en kreeg een vochtinfuus (diabetessymptoom 6, door het vele plassen droogt het lichaam uit).

Later hebben we spijt gehad dat we niet hebben aangedrongen op een glucosetest in de praktijk... Want wij voelden het goed aan en wisten hoeveel magerder en zwakker hij was. Een goede leer voor de volgende keer, zou mijn oma gezegd hebben.

Vrijdag 14 oktober 1: zie je wel!
De uitslag van het bloed zou op vrijdag komen, we konden ervoor bellen. De uitslag was niet verrassend: Guus had duidelijk suikerziekte. We moesten instructie krijgen over hoe we insuline moesten geven, alleen ging de praktijk overstappen naar een nieuw systeem daarvoor. Omdat dat de volgende week zou zijn, was het voorstel dat we dan pas langs zouden komen. Dat leek ons een slecht plan, wij dachten dat Guus veel te slecht was om zolang te wachten en ik dacht dat Guus inmiddels weer uitgedroogd was.

Dus we gingen die vrijdagmiddag meteen langs, voor de instructie en een vochtinfuus. We kwamen bij een andere dierenarts, die ons vertelde dat Guus' bloed uitslagen goed waren; op de suiker na 'geen rare waarden'. Dat hij slap en uitgedroogd was, was logisch en zou snel verbeteren zodra hij insuline kreeg. Ik leerde hoe ik moest prikken, wat niet al te moeilijk was omdat ik in 2015 al antibiotica per onderhuidse injectie had gegeven. Guus was alweer uitgedroogd en kreeg weer een vochtinfuus. Hij moest ook gedwangvoerd worden.

Vrijdag 14 oktober 2: de behandeling kan beginnen?
Het lastigst was nog wel dat we moesten gaan besluiten op welke tijdstippen we de insuline gingen spuiten. Bij de Caninsulin, de insuline die we kregen, moet dat eens per 12 uur en altijd op dezelfde tijd. Dus je moet tijden kiezen die praktisch zijn op zowel werk- als vakantiedagen, zodanig dat je nog ergens heen kunt, ergens eten, maar wel op tijd naar bed als je dat wilt... We kozen voor 10:00 en 22:00. Wat dan weer betekende dat toen we met Guus thuiskwamen na het dierenartsbezoek, we hem niet meteen insuline konden geven. We moesten afwachten tot tien uur 's avonds, ondanks dat hij zo ziek was.

Ondertussen moesten we zorgen dat hij eten binnenkreeg, want anders had hij misschien te weinig suiker in zijn bloed voor de insuline. Dat zou betekenen dat de insuline alle suiker zou gaan ver teren en er niets overbleef, een hypo. Dat is levensgevaarlijk, gevaarlijker dan een te hoge bloedsuiker. Dus met vrouw en macht werd geprobeerd wat 'astronautenvoer' voor huisdieren in Guus te krijgen... Met eigenlijk weinig succes, hij liet het spul zijn bek uitlopen.

Zaterdag 15 oktober 1: wél 'rare waarden'
Op zaterdag ging ons Guusje nóg verder achteruit, dwangvoeren lukte ook niet ondanks mijn ervaring daarmee. De insuline leek weinig te doen. Dus wij belden uiteraard weer de dierenarts. Ze hadden eigenlijk geen tijd... Maar terwijl Minke met de assistente aan de telefoon zat, gingen Guus' oogjes dicht en zakte zijn kopje achterover op mijn arm. "Als we nu niet mogen komen, gaat hij dood," zei ik. Gelukkig was er een gaatje voor noodgevallen. Deze keer waren we bij de dierenarts die we dinsdag en woensdag hadden gezien en die had een hele andere mededeling dan de dierenarts van vrijdag. Zijn bloed zag er helemaal niet goed uit: naast de te hoge suiker was o.a. zijn kaliumgehalte veel te laag. Zolang dat te laag was, kon hij niet beter worden. De dierenarts vond het nu ook heel slecht gaan en zei tussen de regels door dat ze het niet goed had ingeschat.

Guus kon niet meer goed lopen, reageerde niet erg meer en was broodmager, op dat buikkwabje na. Vooral zijn bottige kontje viel op. Dat was logisch, want iemand met onbehandelde diabetes kan naast zijn suiker ook zijn vet niet gebruiken (suiker en vet worden deels op dezelfde manier afgebroken). Dus worden de spieren opgebrand om toch te overleven. Zo was Guus zo mager geworden zonder zijn buikkwabje te verliezen. Dat was dus een slecht teken geweest! Mijn oma zou het weer gezegd hebben: een goede leer voor een volgende keer.

Zaterdag 15 oktober 2: concertloos in de auto
Omdat zijn bloed zo afwijkend was en Guus zelf langzamerhand meer dood dan levend, wilde de dierenarts overleggen met de specialistenkliniek in Amsterdam, waar Guus al bekend was van zijn eerdere medische perikelen. De uitkomst van het overleg was dat Guus eigenlijk direct opgenomen moest worden in de kliniek om zijn leven te redden. Ik wist niet of ik hem dat wilde aandoen, in 2015 was hij zó bang geweest toen hij voor zijn operatie opgenomen was... Maar we konden in elk geval gaan en alles daar bespreken. Helemaal van de kaart liepen we de praktijk uit, zelfs vergetend om te betalen.

Onderweg keek ik af en toe of Guus nog reageerde. Één keer zijn we gestopt omdat hij dat niet meer deed, maar gelukkig was hij nog wakker te krijgen. Wat een contrast met autoritjes toen hij niet zo ziek was. Dan kregen we een non-stop solo akoestisch heavy metal-concert, zo eentje waarbij er geschreeuwd wordt in plaats van gezongen. Gescheurde trommelvliezen bij aankomst. Bij dit ritje was het akelig stil.

Het advies in Amsterdam was zoals de dierenarts al gezegd had: Guus opnemen. Dan konden ze hem in de gaten houden, kalium geven via infuus en een curve maken van zijn suikergehalte. Daarbij wordt 24 uur lang elke twee uur de bloedsuiker gemeten door een drupje bloed uit het oor te testen. Ondertussen kon hij herstellen en weer zelf gaan eten. Ze konden Guus een wat rustiger plekje geven dan voorheen en we mochten een kleedje of kleding bij hem achterlaten.

Geconfronteerd met de keuze tussen "dood laten gaan, rustig thuis" of "overleven door stressvolle opname die zo prettig mogelijk gemaakt wordt", gecombineerd met het feit dat diabetes uiteindelijk best simpel te behandelen is, hakten we de knoop door. Guus bleef, ik trok ter plekke mijn trui uit zodat hij daarin kon wegkruipen (wat hij ook meteen deed) en met zware harten en een leeg vervoershokje stapten we in de auto naar huis.

Zondag en maandag, 16 en 17 oktober: opgenomen
Thuis moest er een eenzame broer geknuffeld worden. Wat raar om ineens alleen Golly op schoot te hebben! We mochten natuurlijk op bezoek in het "ziekenhuis" en dat werd ons ook aangeraden, dus die zondag maakten we de trip naar Amsterdam weer, met nu geen doodzieke kat bij ons, maar een plastic bakje voer met de tekst "Droogvoer Guus Bravenboer" erop. Dat is het nadeel van voer van het eigen merk van de dierenarts: dat hebben ze in andere klinieken niet! En wij hadden het natuurlijk niet bij ons gehad toen we direct van de dierenarts naar de kliniek gingen.

Het was een spannende onderneming, want we waren bang dat ons suikerventje doodsbenauwd weggekropen in een hoekje zou zitten. Gelukkig bleek dat de tactieken hadden gewerkt: Guus was erg blij met kleedjes om onder te liggen en leek de extra rustige plek ook te waarderen! Hoewel hij niet de meest relaxte jongen ooit was, was hij redelijk ontspannen en liet zich graag even aanhalen. Hij zag er ook een stuk beter uit dan de dag ervoor. Na een paar minuten werd het blijkbaar te vermoeiend en kroop hij weer onder zijn kleedje. Een teken dat hij liever rustte dan te proberen met ons mee te gaan.

De volgende dag gingen we weer op bezoek en nu was ons suikerbeest nog een stukje beter! Hij had zich zelf verplaatst en was in het kattenbakje gaan liggen. Dat schijnt gebruikelijk te zijn als opgenomen dieren zich wat beter beginnen te voelen. Weer wat geleerd.
maandag; bezoek opname
Dinsdag 18 oktober 1: triaditis en naar huis!
Uiteraard hadden we gehoopt dat het maar voor één of twee nachtjes zou zijn, maar uiteindelijk bleef Guus drie nachten: zaterdag leverden we hem af en dinsdag mocht hij mee naar huis na een buikecho. Daarop was te zien dat hij triaditis had, chronische ontsteking van de drie organen die bovenin de buik zitten: alvleesklier, lever/galblaas en 12-vingerige darm (de milt zit ook bovenin de buik, maar die is niet rechtstreeks met de andere drie verbonden). Dat heeft hij al langer, dat heeft ook zijn ziekte van 2015 veroorzaakt. De ontsteking in de alvleesklier kan de oorzaak zijn van de suikerziekte, omdat de alvleesklier insuline aanmaakt, de stof die suiker verteert. Door de ontsteking kan hij daarmee stoppen en dan heb je suikerziekte (te weinig of geen insuline en dus geen suikervertering).

Daardoor was en is het eigenlijk extra onzeker hoe het verder verloopt. Als de ontstekingen minder heftig worden, kan de alvleesklier genoeg herstellen om misschien zelf weer alle insuline te maken, maar het kan ook dat het in de toekomst weer terug komt. De triaditis is meestal blijvend, alleen zijn er periodes met meer of minder last. Kortom: gewoon genieten van elke dag dat het goed gaat! (Triaditis wordt hier in het Engels uitgelegd: http://vetbook.org/wiki/cat/index. php?title=Triaditis en hier in het Nederlands: http://schellerlanden. nl/triaditis/ )

Maar goed, ondertussen mocht Guus dus mee naar huis! Met een hele batterij medicijnen, dat wel: een diarree-remmer, antibraakmiddel, maagzuurremmer (die gebruikte hij al), kalium-supplement en natuurlijk insuline. En hij moest nog steeds gedwangvoerd worden, elke vier uur... Maar de assistente was genadig: we mochten 's nachts een keer overslaan; dan mocht er 8 uur tussen zitten.

Verder was het de bedoeling dat we zelf thuis zijn bloedsuiker gingen meten. En dan de insuline dosering aanpassen als de bloedsuiker te hoog of te laag was. Dat betekende dat we een bloedsuikermeter moesten hebben en wel heel snel, omdat Guus zijn bloedsuiker nog steeds wat onvoorspelbaar was. Daarom was het het beste om meteen te beginnen met meten, dezelfde dag nog. Gelukkig had onze eigen dierenarts er nog eentje, die we meteen konden halen.

Dinsdag 18 oktober 2: ...en dan moet je het thuis zelf doen
Tja, toen moesten we ons Guuske zelf in leven zien te houden. En met naalden in hem prikken om bloed af te nemen en insuline te geven. Het bloedprikken voor de bloedsuikermeting kwam het eerste. Dat gaat uit het oor, dat ge middeld gesproken goed doorbloed is bij katten. Maar ja, Guus is niet gemiddeld... Het oor zou ook gevoelloos zijn en de kat zou niets merken van het prikje. Ook dat was in Guus' geval een broodje aap (terwijl ik weet dat het bij de katten van andere mensen wél zo werkt); hij vond de prikjes helemaal niet fijn.

Maar goed, dat prikje moest eerst nog plaatsvinden. Eerst probeerden we het met de bij de meter geleverde prikpen, in zijn oor. De prikpen leek helemaal niets te doen. We zagen op internet de tip om in de zijkant van het voetkussentje te prikken met de pen op de 'hoogste stand' (waarbij het naaldje het diepst prikt). Guus zijn voetjes werden beprikt, waarbij we één keer een piep-piep-piepklein minidrupje bloed kregen. Lang niet genoeg om te meten. Opwarmen met een heet washandje, opwrijven, niets hielp.

Dus belden we maar weer met de dierenarts, waar we meteen heen konden. De assistente zou het ons wel even voordoen. Dat had ze gedacht! Het lukte haar ook niet, dus toen ze in het vloek-stadium begon te geraken, kwam de dierenarts erbij. Ook die had geen succes, dus dan maar in een voorpoot. Weer geen resultaat, ook niet na herhaaldelijk met de naald heen en weer jassen in arme Guus zijn pootjes... Uiteindelijk lukte het in zijn hals!

Dat ging ons zelf natuurlijk niet lukken, maar we wisten dat het in zijn oor wel moest kunnen. Het was in Amsterdam immers meerdere keren gelukt, hoewel met moeite. Dus we hielden hoop dat het ons ging lukken! We kregen in elk geval gewone naaldjes mee om te gebruiken i.p.v. de prikpen. Wat ook hielp, was dat Agnes (van den Berge-Hoogstrate) vertelde dat het bij haar kat in het begin óók moeilijk ging.

Dinsdag 18 oktober 3: ...Maar dat ging lukken!
Met het dwangvoeren had ik al veel ervaring door Guus zijn ziekte van 2015, dus daarvan wist ik dat het in het begin waarschijnlijk niet zo goed zou lukken. Bovendien kreeg hij nu zijn 'gewone' blikvoer gevoerd (Hill’s Z/D), in plaats van het speciale vloeibare voer van toen (Convalescence Support van Royal Canin). Dat laatste vond hij niet lekker, wat ik gezien de vanille-geur niet zo raar vond. Maar nu gingen we dus lekker aan het pureren, hele blikken voer zó in de keukenmachine en dan in 10 of 20 ml-spuitjes (te koop bij de apotheek, maar ook online, daar heb je speciale spuitjes om kleine baby'tjes mee te voeden).

Bijkomend voordeel van deze keer, vergeleken met vorige keer, was dat Guus' verpleegkundige ons had voorgedaan hoe zij hem voerde. Dat was met vrij grote happen (zo leek het) van een paar milliliter in één keer en dan wachten tot hij het ingeslikt had. Dat ging behoorlijk goed! Alleen liet hij bij echt geen zin of trek het eten wat er aan de ene kant in werd gespoten, aan de andere kant weer uit zijn mond lopen. Dus 100% dwingen kan echt niet, de kat moet meewerken om het te laten lukken.

afvinkschema
Door die vorige keer wist ik ook hoe handig een afvink-schema is. Door de stress en het verzorgen word je uiteraard doodmoe, dus een schema met de tijden waarop medicijnen en voer gegeven moeten worden, is erg fijn voor het overzicht. Door af te vinken weet je zeker dat het niet vergeten is en bij de voedingen had ik ruimte om de hoeveelheid in te vullen, omdat het niet altijd lukte om alles erin te krijgen. De dagelijkse bloedsuikermeting had ook een kolom, ook makkelijk om aan de dierenarts te laten zien. En ik liet ruimte voor aantekeningen, waar ik bijvoorbeeld bijhield hoe actief hij was en welke mijlpalen er bereikt werden. Dat was ook makkelijk, om het zelf terug te kunnen lezen en om aan de dierenarts te kunnen vertellen wanneer hij precies iets gedaan had.

En verder: wassen en plassen
Naast dat Guus erg ziek was, was hij ook erg vies toen hij thuiskwam. Waarschijnlijk was er wat plas gelekt doordat hij zo veel moest. De achterpootjes waren duidelijk nat geweest en weer opgedroogd, net als het kontje. Of was hij toch weer zo bang geweest in de kliniek dat hij niet op het bakje had gedurfd en zichzelf had ondergeplast? Het antwoord kwam toen hij thuis op de bak ging. We hadden alles zo neergezet, dat Guus weinig moeite hoefde te doen. Zijn vervoershokje, dat ook als privé-herstel-mandje diende (zonder deurtje en met een fleece deken erover), stond naast de krabpaal. Vlak ervoor een waterbakje en achter het vervoershokje een kattenbak. Het voordeel van een vervoershokje om te herstellen is dat de bovenkant er makkelijk af kan, om medicijnen te geven of hem te pakken voor het voeren, en het hokje kan worden meegenomen naar boven, om 's nachts ook een eigen plekje te hebben. Dan stond het naast het bed, met de kattenbak een paar stapjes verder weg. Dit privé- mini-hersteloord werd steeds erg gewaardeerd door de patiënt, die zo bij ons kon zijn terwijl hij toch beschut en ongestoord kon liggen.

De kattenbakken en Guus zelf waren dus altijd vlakbij waar ik ook was. Het was dan ook niet te missen als hij op de bak ging. Dat was al snel nadat we thuis kwamen, logisch met zijn nog steeds hoge suikergehalte. En wat bleek? Hij moest zo nodig dat hij al plaste zodra zijn pootjes het kattengrind raakten, terwijl zijn kont nog niet in de bak was! De eerste keer kon nog zijn omdat hij een tijdje in het hokje had gezeten, maar helaas gebeurde het daarna nog steeds. En steeds ging hij dan maar zitten zodra hij begon te plassen, met de achterpoten nét in de bak en de kont nét erbuiten. Iedere keer het hele uitloopmatje nat, en de vloer eromheen. Zo was hij dus waarschijnlijk ook aan die vochtige achterpootjes gekomen, door een beetje lekken als hij heel nodig moest. En misschien zichzelf wassen, maar niet goed drooglikken?

21 oktober: Golly's wasservice!
Woensdag 19 en donderdag 20 oktober: poezenhygiëne
Het natte uitloopmatje en de vloer konden we ondervangen door allemaal wc-papier en oude handdoeken neer te leggen (dus elke dag handdoeken wassen!). Maar we wilden Guus zelf niet extra lastig vallen zonder noodzaak. Dus bleef hij vies in eerste instantie. Maar de volgende dag konden we het toch niet helemaal meer aanzien: de poes moest in bad! Voor het eerst.

Dat ging best goed, met zijn achterkant in een teiltje met warm water. Daarna was hij een stuk schoner en rook ook aangenamer. Bijkomend voordeel was, dat hij nu blijkbaar niet meer te vies was om door zijn broer schoon gewassen te worden.

En Golly kweet zich ijverig van deze taak. Iets té ijverig. Guus leek ineens eczeem aan zijn kont te hebben, waardoor kwam dat nu weer?! Van dichterbij bekeken, bleken zijn kont en balzak volledig kaal te zijn! En dus erg schraal. Geen gezicht. En Golly bleef maar doorwassen. Met veel moeite hebben we hem dit afgeleerd, want hij lijkt het nog steeds erg nodig te vinden af en toe. Of misschien smaakt(e) Guus wel lekker zoet van achteren? (Urine van een onbehandelde diabeet is zoet, omdat de onverteerde suiker door de nieren uit het bloed wordt gefilterd en in de urine komt.)

Een kleine mijlpaal was dat Guus op 20 oktober ineens de reis naar de gang ondernam om eens ouderwets uit het raam naast de voordeur te kijken. Ik weet niet of dit als doel had om de buurpoezen te intimideren, maar die schrokken hooguit van het feit dat Guus een scharminkel was. Hij zag er niet bepaald uit alsof hij in staat was een brutale indringer te verslaan.

Ondertussen moesten we ook weer een keer proberen een drupje bloed uit Guus zijn oor te krijgen. En weer lukte het niet. Het werd wel makkelijker om de aarzeling te overwinnen om je eigen diertje tot bloedens toe te prikken. Mede omdat we het iedere dag wel een keer of vier probeerden, dus dat was daarvoor wel een goede oefening. Die ooit toch wel kunst moest gaan baren?!

Guus in de voerhouding
...En dat voeren...
Dat voeren, dat deed ik dus vijf keer per dag: elke vier uur behalve 's nachts. In plaats van acht uur, hadden we er 's nachts negen uur tussen. Niet omdat we negen uur wilden slapen, maar omdat het voeren niet een kwestie is van een spuitje pakken en gaan. Het moet eerst klaargemaakt worden (hoewel we al snel wat grotere voorraden gingen maken), afgemeten in de spuitjes, Guus op schoot met een handdoek, ik een vies vest aan om verder geen kleren vies te maken. En dan het voeren, wat een half uur kon duren en meestal minstens een kwartier. Waarna je niet klaar bent, want dan moeten er spuitjes, bakjes en lepeltjes afgewassen en eventueel handdoeken en het vieze vest in de was (dat werd gerouleerd).

veel werk!
Al met al was ik in totaal zo'n drie kwartier tot meer dan een uur bezig, afhankelijk van hoe makkelijk het voeren zelf ging. Dus tussen de voedingen zat ook geen vier uur, maar tweeënhalf tot drie uur. Oftewel: te weinig tijd om echt iets anders te gaan doen. En dan om 15.00, een uur na het voeren om 14.00, moest er een poging gedaan worden om de bloedsuiker te meten. Dus na de lunch was er sowieso niet genoeg tijd om iets te gaan doen. Kortom: het was een fulltime baan, niet zozeer omdat het acht uur per dag duurde, maar omdat er te weinig tijd tussen alle zorg zat om iets anders te doen!

De truc met de handdoek werkte wel heel goed. Guus vindt het afschuwelijk als er iets op hem gemorst wordt, ook als hij het zelf doet met zijn eigen eten. Dus de handdoek was in eerste instantie om te zorgen dat dat niet gebeurde, maar hij vond het ook gewoon prettig om zo in de handdoek gewikkeld op schoot te liggen!

Zaterdag 22 oktober: meter, beter, eter
Ondertussen was het ons op 22 oktober voor het eerst gelukt om zelf Guus’ bloedsuikerspiegel te meten! De oefening had een lange bevalling, maar nu was er toch kunst gebaard. Het was inmiddels duidelijk dat er gewoon erg weinig bloed in zijn oren zit tenzij hij het echt lekker warm heeft. De truc was dus om na het voeren van 14.00 met Guus op schoot te blijven zitten, lekker onder een dekentje en het liefst met zijn broer erbij. Om 15.00 was hij dan zo gaar gestoofd dat de aders op de oren duidelijk zichtbaar waren.

Het lukte nog lang niet elke dag, maar wel steeds vaker. De opdracht was vervolgens om de dosering van de insuline aan te passen aan de bloedsuikerspiegel van 15.00: zat die boven de 8, dan moest de insuline omhoog; zat die onder de 4, dan moest de insuline omlaag. Uiteindelijk moesten we zo de ideale dosis bereiken, waarbij de suikerspiegel tussen de 4 en 8 bleef. De hoop was ook dat de alvleesklier vanzelf wat zou herstellen en daardoor zelf meer insuline zou gaan aanmaken. Dan zou de suikerspiegel daardoor ook wat lager worden en de insulinedosis omlaag kunnen.

1 nov: het lukt niet altijd in één keer (de linker strips hebben te weinig bloed gekregen)
Daarbij loerde één gevaar: de gevreesde hypo. Als Guus’ suiker te laag zou worden, kon hij hypoglycemie krijgen (ook mensen met diabetes moeten hier alert op zijn): te weinig suiker om het lichaam te laten functioneren. Dat kan levensgevaarlijk zijn, want alles in het lichaam heeft suiker (in de vorm van glucose) nodig. We moeten om die reden altijd druivensuiker in huis hebben; dat wordt heel snel opgenomen en verhoogt dan de suikerspiegel in het lichaam.

Het idee van een hypo was een schrikbeeld dat we allebei erg graag wilden vermijden. Guus werd de hele dag in de gaten gehouden om te zien of hij “hypogedrag” vertoonde: sufheid, slapte, of juist onrust. Tja, hoe beoordeel je dat, vooral als je met een ziek dier zit dat toch al vrij lusteloos is?! En ‘s nachts dan...je kunt niet eeuwig wakker blijven.

Gelukkig kwamen we er al snel achter dat 1) een hypo niet zo snel optreedt en 2) dat Guus het ons liet weten als hij zich raar voelde, door op een vreemde toon te mauwen en rond te dwalen. Dan bood ik hem snel wat eten aan, wat meestal dankbaar werd opgegeten. Maar het beste punt was punt 3) op zaterdag 22 oktober nam hij zelf een paar hapjes van de altijd beschikbare brokjes! En dat wel twee keer! Dit was ons al verteld door ervaringsdeskundigen, dat een hypo maakt dat je instinctief naar eten gaat zoeken. Guus zijn diabeten-instinct functioneerde dus goed!

Om ons even extra te tonen dat hij vooruit ging, werd die middag de krabplank, die we op de overloop hebben liggen, lichtelijk te grazen genomen. Het waren maar drie brokjes die hij at en een korte krabbel op de plank, maar vooral het moment van zelf weer gaan eten maakt indruk en is natuurlijk een heel positief teken. Daarnaast moet gezegd worden dat zijn magere billetjes ook al wat minder mager waren.

12 nov: 'Ik voel me alweer een hele vent!'
Dinsdag 25 oktober en verder: een lijst van kleine mijlpalen
    Na de grote stap van zelf wat brokjes eten, volgden er meer mijlpaaltjes:
  • Dinsdag 25 oktober - likt zelf een beetje natvoer op;
  • Zondag 30 oktober - speelt met één van zijn favoriete muizen;
  • Maandag 31 oktober - likt het grootste deel van zijn natvoer-- maaltijd zelf op uit de hand;
  • Woensdag 2 november - is helemaal ontspannen tijdens het voeren;
  • Donderdag 3 november - eet een significante hoeveelheid brokjes in plaats van drie. Mauwt normaal, gaat zelf op de grote krabpaal in de woonkamer;
  • Zondag 13 november - eerste keer dat we een hele lage bloedsuikerspiegel meten: 2,6 (de norm is 4 - 8, op de dag dat hij thuis kwam was het 19), daarom de eerste keer dat de insulinedosis omlaag moet in plaats van omhoog.
Ondertussen worden de billen regelmatig bevoeld om te beoordelen of het alweer een lekker kontje is. En dat is het in toenemende mate!

Vanaf die zondag 13 november moeten we de insuline steeds verder verminderen, tot we op zaterdag 26 november uitkomen op 1 eenheid. De insuline wordt gemeten in eenheden, dit is ook de maatverdeling op het spuitje. Guus’ maximale dosis was 4, dus op 1 uitkomen is een behoorlijke afname! Vanaf dan blijft zijn bloedsuiker netjes tussen de 3 en 8. Officieel is 3 te laag, maar de dierenarts had ons al gezegd dat het voor individuele katten anders kan zijn. En meestal zit hij boven de 4, dus dat is helemaal netjes!

logboek
Het slot
De laatste aantekening in het diabetes-logboek is op 5 januari: "Gaat goed genoeg om geen dagboek meer bij te houden." Daarna heb ik alleen nog een lijstje bijgehouden van de bloedsuikerwaarden. Inmiddels (het is nu 21 februari) krijgt Guus al weken nog maar twee keer per dag natvoer, eigenlijk alleen omdat hij voor de zekerheid nog een kaliumsupplement krijgt. Dat is een poeder en niet zo lekker, dus mengen met geliefd natvoer is de beste manier om het hem te laten eten.

Op 27 januari was de laatste keer dat we bij de dierenarts waren. Alwaar we de mededeling kregen dat het super is dat Guus het weer zo goed doet, maar dat hij inmiddels helaas iets te dik is! Hij heeft dan ook weer lekkere stevige billen.

Te dik zijn is niet zo goed, vooral niet als je suikerziekte hebt. Maar wij hebben geen haast met afvallen (snel afvallen is sowieso ook slecht voor diabeten!). Guus heeft in de afgelopen twee jaar nu al drie keer bijna op sterven gelegen, dus wat ons betreft is elke dag dat hij plezier heeft, winst. Als hij wat eerder zou sterven omdat hij niet het ideale gewicht heeft, heeft hij in elk geval nog een fijne tijd gehad. We hopen dat hij vanzelf wat afvalt nu hij weer steeds actiever is, maar anders is het ook goed. Carpe diem!


Met dank aan deClub27 Facebook groep, waar ik veel steun kreeg en in het bijzonder aan Agnès en Lucy.

1981 - 2019 © Burmezen & Burmilla's Rasclub Club27, burmezen.info | laatste wijziging 1 april 2018