magazine special: medisch

suikerziekte bij de kat

door Agnes van den Berge – Hoogstrate

Diabetes Mellitus, oftewel suikerziekte, kan ook bij de kat voorkomen. Het verloop van de ziekte, de behandeling enz. is nagenoeg hetzelfde als suikerziekte bij de mens. En net als bij de mens is het belangrijk om tot een goede inregeling te komen met de insuline, het dieet strikt te volgen, regelmatig op controle te gaan bij de dierenarts en alles goed in de gaten te houden. Aangezien de kat op vaste tijdstippen insuline moet krijgen en daardoor ook op vaste tijdstippen moet eten is het soms niet eenvoudig om dat in goede banen te leiden. Wat is suikerziekte precies? Suikerziekte is een ziekte van de stofwisseling. De alvleesklier (pancreas) produceert het lichaamseigen hormoon insuline en dat zorgt ervoor dat suiker uit het bloed wordt opgenomen in het weefsel zodat het daar omgezet kan worden in energie of opgeslagen wordt als energievoorraad.

De kern van de aandoening is een verhoogde bloedsuikerspiegel door geen of weinig aanmaak van insuline door de alvleesklier. Daardoor stijgt het suikergehalte in het bloed en raakt de stofwisseling helemaal uit balans.

    Er zijn meerdere oorzaken voor suikerziekte, de voornaamste zijn:
  • aandoeningen aan de alvleesklier;
  • overgewicht;
  • onvoldoende beweging;
  • erfelijke factoren.

    Ook bepaalde medicijnen kunnen suikerziekte in de hand werken zoals:
  • prednison;
  • dexamethason;
  • poezenpil (antikrolsheid tabletten).

Door onvoldoende beweging van de kat en/of te veel eten wordt de kat te zwaar en neemt de gevoeligheid voor insuline af. Er is dan wel voldoende insuline aanwezig maar het lichaam van de kat is onvoldoende in staat om de insuline op te nemen. Het insulinegehalte wordt dan veel te hoog.

Verliest de kat het teveel aan kilo's dan kan het lichaam weer gevoeliger worden voor insuline. Soms is het aanpassen van het gewicht en een goed dieet al genoeg om de suikerziekte goed onder controle te houden.

Hoe herken je de symptomen?

  • veel plassen;
    Suikerziekte zorgt ervoor dat er (te) veel suiker in het bloed aanwezig is. De nieren zorgen ervoor dat de suiker met de urine het lichaam verlaat en de suiker in de urine heeft ook de eigenschap om extra vocht mee te nemen. De kat gaat dus meer plassen en kan dat zelfs ook buiten de kattenbak gaan doen.
  • veel drinken;
    Door het vele plassen verliest de kat natuurlijk ook meer vocht. Om dat verlies te compenseren zal de kat ook meer en grotere hoeveelheden gaan drinken.
  • meer eten;
    Suiker is een belangrijke bron van energie. Echter bij katten met suikerziekte wordt het niet opgenomen omdat het via de urine het lichaam weer verlaat. Hierdoor ontstaat een energietekort, de kat gaat meer eten maar verliest toch gewicht omdat het lichaam overgaat op het verbranden van lichaamsvetten.
  • algehele conditie gaat achteruit.
    Onnodig te zeggen dat de algehele conditie van de kat achteruit zal gaan. De eetlust neemt af en de kat zal meer gaan slapen.

Hoe weet ik of mijn kat suikerziekte heeft?

Door goed op de kat te letten zijn bovengenoemde symptomen snel te herkennen. Het is belangrijk, ook bij twijfel, om bij de dierenarts langs te gaan. Deze kan de uiteindelijke diagnose stellen. Door wat bloed af te nemen kan gekeken worden naar de waarden van de suiker. Omdat deze waarden ook wel eens hoog kunnen zijn door stress (het bezoek aan de dierenarts is al stress genoeg) wordt er gekeken naar de waarden van de suikerstof fructosamine. Is deze voortdurend verhoogd dan is er sprake van suikerziekte.

de behandeling

Is er sprake van een lichte vorm van suikerziekte dan heeft de kat meestal al baat bij een goed en strikt dieet. Het speciale dieetvoer en het eventueel omlaag brengen van het gewicht zullen een positief effect hebben. Is de suikerziekte al wat erger dan kan er begonnen worden met insulinetherapie.

Insulinetherapie houdt in dat de kat twee maal daags een onderhuidse injectie krijgt met insuline. Door deze insuline gaat het suiker naar de organen en de weefsels. De injectie kan heel goed zelf door de eigenaar van de kat gegeven worden.

Belangrijk is ook een goed dieet met weinig koolhydraten ( want deze worden omgezet in suiker) en veel eiwitten. De juiste hoeveelheid insuline wordt door de dierenarts bepaald maar het kan een tijdje duren voordat de kat goed ingesteld is. In het begin kan daardoor de hoeveelheid insuline moeten worden aangepast. Wordt er te weinig insuline gegeven dan zal de kat nog steeds last hebben van de suikerziekte en zal nog steeds veel plassen en drinken.

Wordt er te veel insuline gegeven dan kan de kat een hypo krijgen. Dit betekent dat er te weinig suiker in het bloed aanwezig is. De kat kan dan in shock of bewusteloos raken.

    een hypo herkennen:
  • de kat blijft om eten vragen, om het suikergehalte in het bloed weer hoger te krijgen;
  • de kat is onrustig en miauwt veel;
  • de kat wordt trillerig;
  • de kat wankelt op de poten;
  • de kat valt neer en kan niet meer overeind komen;
  • de kat is slap.

Als de kat in shock raakt kan hij in een coma raken en uiteindelijk overlijden. Geef bij een hypo altijd een suikeroplossing. Dit kan druivensuiker zijn maar ook gewoon jam in de binnenkant van de wang smeren is al goed. Nooit suikerwater geven als de kat in shock is, hij kan dan niet of nauwelijks meer slikken en kan stikken in het water. Probeer hem aan het eten te krijgen en neem contact op met de dierenarts.

meten is weten

Zelf insuline geven is heel goed te doen. De dierenarts kan het voor doen en na een paar keer wordt het een routine. Ook zelf de glucosewaarden meten met een glucosemeter is bij de kat over het algemeen ook heel goed door de eigenaar te doen. Op die manier kan alles in de gaten worden gehouden. Het eventuele aanpassen van de insuline moet wel in ruggenspraak met de dierenarts gebeuren. Nooit zelf de dosis verhogen of verlagen.
Voor het meten wordt een oortje of een kussentje van de pootjes aangeprikt. Een klein druppeltje bloed is al voldoende.

welke insuline

Er zijn verschillende mogelijkheden wat insuline betreft.
  • Caninsulin;
  • Prozinc;
  • Levemir;
  • Lantus.
De laatste twee genoemde zijn humane insulines maar kunnen ook heel goed werken voor de kat. De dierenarts zal hierin kunnen adviseren en mocht de kat er niet goed op reageren zijn er dus meerdere mogelijkheden.

Insuline moet altijd tweemaal daags gegeven worden, dus ook tijdens vakanties, feestdagen, weekenden enz. Het is belangrijk om iemand in de omgeving te hebben die bereid is de handeling aan te leren en de kat te injecteren. Het injecteren moet altijd op dezelfde tijdstippen. Dus b.v. acht uur 's morgens en acht uur ’s avonds. Maar ook elf uur ’s morgens en ’s avonds kan. Regel het zo dat het gemakkelijk in te passen is, als het maar elke dag op hetzelfde tijdstip is.

levensduur van een kat met suikerziekte

Over het algemeen kan een kat door een regelmatig leefpatroon en door een behandeling met insuline een vrijwel normaal leven lijden. Is de kat goed ingesteld dan kan deze net zo lang leven als een kat zonder suikerziekte.

persoonlijke noot

Xanthos
Onze kat Xanthos heeft sinds 2011 suikerziekte, krijgt 2x daags zijn insuline, staat op dieet (dieet voeding en aangepaste hoeveelheid voeding), we meten en spuiten zelf en hij is stabiel en geniet van het leven zoals een Burmees dat zo heerlijk kan doen.

1981 - 2019 © Burmezen & Burmilla's Rasclub Club27, burmezen.info | laatste wijziging 1 april 2018